We vinden altijd wel iets om over te klagen, die doorn in het oog die de feestvreugde verpest. Irritaties in het verkeer. De slome duikelaar voor je op een eenbaansweg. Irritaties tijdens het winkelen. In de rij bij de kassa van de supermarkt. Waarom gaat de rij naast je altijd sneller dan die waar jij in staat? Irritaties op het werk. Die ene collega die zijn of haar mond maar niet kan houden. Ik ken het, ik ben die collega… Verlegen om een praatje na een paar dagen eenzaam thuiswerken. Het zenuwtrekje in je oog, de bus die te laat komt en de onoplettende appende puber die jou bijna omver loopt. Allemaal even irritant. Borrelt de irritatie al op als je dit leest? Wellicht irriteert het veelvuldig gebruik van het woord irritatie je inmiddels ook. Iets is irritant, een ergernis, storend. Het roept een onaangename emotie op. Onrust. Een gevoel waar we lang in kunnen blijven hangen. Is dat nu echt nodig? Ons aan alles te ergeren en in alles een punt van irritatie te vinden? Omdat iets niet gaat zoals wij dat willen. Kunnen we ons ergeren aan irriteren? Want is de grootste irritatie, de irritatie zelf niet?
De irritatie benoemen maakt de situatie niet anders. De auto gaat niet sneller, jouw rij lijkt nog een stukje trager te gaan, de puber let nog steeds niet op en de bus komt niet eerder. Laten we omdenken. Die slome duikelaar voor je geniet waarschijnlijk van het uitzicht dat jou nog niet was opgevallen. De rij voor de kassa kan wel sneller gaan, maar boodschappen doen is het enige uitje buiten de deur. En die kletsende collega zorgt er eigenlijk voor dat jouw werkdag net wat gezelliger is. Iets is zo irritant, als dat je het zelf maakt. Of niet.
Reactie plaatsen
Reacties